” Een huis is een machine om in te wonen “, zei Le Corbusier, waarmee hij een concept van huisvesting benadrukte waarin architectuur vooral functioneel moet zijn. Volgens hem moet een huis voldoen aan de eisen van de bewoners met de efficiëntie van een goed ontwikkeld systeem. Dit idee, dat revolutionair was in zijn tijd, krijgt nu een nieuwe betekenis in het licht van de uitdagingen van duurzame ontwikkeling.
Met het oog op optimalisatie zal de woning van de toekomst rekening houden met milieucriteria en modulariteit. Een huis moet niet langer alleen een functionele leefruimte zijn, maar ook milieuvriendelijk en aanpasbaar.
Structuren bevatten tegenwoordig duurzame materialen, modulaire ruimtes en een toename in de aanwezigheid van vegetatie, inclusief groene daken en gevels versierd met planten. Architectuur beperkt zich echter niet tot de bouw van individuele woningen. Kantoren, meergezinsgebouwen en zelfs woonwijken moeten worden ontworpen als duurzame en intelligente ‘huisvestingsapparaten’. Met behulp van moderne technologieën en bioklimatologische principes passen deze ruimtes zich flexibel aan, verbruiken ze weinig energie en zijn ze in perfecte harmonie met hun omgeving. Hierdoor leeft de visie van Le Corbusier voort: architectuur blijft een functionele machine, maar nu gericht op de natuur en duurzame ontwikkeling.
